Gecategoriseerd | Gé-Ansems

Voorjaarsgras

Geplaatst op 16 mei 2011 door Gé Ansems

De geur van vers voorjaarsgras vulde zijn geheugen en bracht hem terug naar de kindertijd. De tijd van voor Pasen, de Goede Week met de paasvakantie vol gele boterbloemen en pluizende paardebloemen in het vooruitzicht.
Het zonlicht weerkaatste in het zijspiegeltje van zijn wagen die hij op de vrijwel lege parkeerplaats langs de snelweg had gestald, omdat zij moest plassen. Hij had haar vanmorgen opgehaald van het station voor een tocht zonder bestemming. Het belangrijkste was dat zij bij elkaar konden zijn. Hoe was hij in zijn jeugd niet verliefd op haar en hoe lang had het niet geduurd voor hij haar dat durfde te zeggen. Maar zij wees hem vriendelijk doch overduidelijk af, meer dan een goede vriend zou hij nooit kunnen worden. Hij was te onzeker van zichzelf om verder aan te dringen en legde zich daarom neer bij haar afwijzing. Hij trouwde met Eileen en waande zich gelukkig. Hij hield wel van zijn vrouw, maar onderhuids bleef hij zijn gevoelens voor Gemma koesteren als een kostbaar kleinood uit zijn verleden.
Toch had hij vaak oprecht geprobeerd haar uit zijn geheugen te bannen, de bittere pijn van haar afwijzing te stillen met de geneugten van het liefdesleven met Eileen, die zo intens van hem hield.
Gemma had al drie gebroken huwelijken achter de rug. Uit de eerste relatie waren twee kinderen geboren, een meisje dat sprekend op haar leek waardoor zij voortdurend met haar in botsing kwam en een jongen die aan de drugs was geraakt. Een paar weken geleden kreeg hij een brief, waarin zij schreef dat zij hem wilde zien. En of hij haar wilde afhalen van het station.
Haar begroeting vanmorgen was niet erg uitbundig, meer dan een vluchtige kus op zijn beide wangen kon er niet van af. Ter compensatie sprak zij lovende woorden over zijn auto, die hij speciaal voor de gelegenheid een wasbeurt had gegeven.
Gemma kwam uit het lage toiletgebouwtje te voorschijn en liep langzaam naar het bankje waarop hij zat te wachten.
“Het is hier mooi hè”, riep ze. “Zo heerlijk rustig en de toiletten zijn ook schoon.”
“Ja”, zei hij. “Zullen we een wandeling maken? Er loopt daar een pad.”
Nog voor hij kon opstaan liep zij al in de richting van de zandweg, een smalle lindenlaan die zich als een meanderende beek door de zonovergoten weilanden slingerde. Als een dartelend lam bewoog zij zich voort, zorgeloos alsof zij alle ellende van zich had afgeschud. Hij moest er stevig de pas in zetten om haar bij te kunnen houden.
Er bekroop hem het sterke gevoel dat zij bewust voor hem uit liep om maar niet te hoeven praten. Hoe anders had hij zich deze wandeling voorgesteld, hand in hand en elkaar diep in de ogen kijkend. Hij zou haar gezegd hebben dat zij mooi was en dat hij haar wilde schilderen. Maar zij gaf hem niet de gelegenheid. Misschien was zij wel bang voor hem, ze wist immers dat hij nog altijd van haar hield. Hij had haar een jaar geleden nog een brief geschreven, met stuntelige hanenpoten had hij zijn diepe verlangen naar haar aan het papier toevertrouwd. Ze had er niet duidelijk op gereageerd, het enige dat zij liet weten was dat zij het een fijne brief vond. Ach, wellicht was zij slechts gestreeld in haar ijdelheid, vrouwen hielden immers van stille aanbidders die hen niet lastig vielen.

Even verderop ging zij langs de rand van de sloot zitten, die de laan vele kilometers aan de linkerflank vergezelde en zelfs de talloze bochten met haar deelde. Ze deed de schoenen uit en doopte haar voeten in het nog koude water.
“Ik zou best willen zwemmen”, zei ze toen hij dichterbij kwam. “Maar ja deze sloot is wel erg smal.”
Hij glimlachte en zette zich naast haar neer, zij schoof echter onmiddellijk op om een dreigend lichamelijk contact te vermijden. Voor hen scheerden weidevogels over de nog onbegraasde grasvlakte. Hun luidruchtig gekwetter werd door de milde lentebries mijlenver door de stilte gedragen.
In zijn academietijd had hij vaak dit soort vogels geschilderd in surrealistische landschappen waarin hij veel rood en roze verwerkte. Gewone landschappen waren taboe op de kunstacademie. Erg succesvol was hij als schilder overigens niet geworden. Hij mocht van geluk spreken dat Eileen een goede betrekking had waarmee zij ruimschoots voor hen beiden de kost kon verdienen.
Zij wilde per se niet dat hij een baantje zocht. Hij moest zich volledig aan de kunst wijden, zij geloofde hartgrondig in zijn kunstenaarschap. Zijn sporadische exposities, had zij bewerkstelligd. Ze hadden echter geen zoden aan de dijk gezet, mede dankzij de onwillige recensenten die het nimmer de moeite waard vonden ook maar een letter aan zijn werk te wijden. Inmiddels puilde zijn atelier uit van de onverkochte doeken waar geen mens op zat te wachten.
“Jouw tijd komt nog wel”, zei Eileen altijd. Waar zij die vaste overtuiging op baseerde, was hem tot nu toe een raadsel. Zelf kon hij het nog amper opbrengen een kwast op te pakken. Dikwijls zat hij urenlang in zijn schilderruimte doelloos voor zich uit staren tegen een achtergrond van zachte klassieke pianomuziek, die voortdurend uit een gammele overjarige geluidsinstallatie sijpelde.
Het was alsof Gemma zijn gedachten raadde.
“Ben je nog druk aan het schilderen?”
“Heb de laatste tijd weinig inspiratie. Twee jaar geleden had ik nog een tentoonstelling. Maar verkopen, vergeet het maar! Tja, ik weet het niet, misschien had ik wel een ander vak moeten kiezen.”
“Ik heb nog een schilderij van jou in de kamer hangen. Prachtige kleurvlakken, ik kijk er nog vaak naar, het is zo rustgevend. Je moet echt blijven schilderen hoor!”
Hij antwoordde niet, maar stopte een pijp en stak er de brand in. De sterk geurende tabak overstemde met geweld de frisse lentegeuren. Maar Gemma vond het lekker ruiken, zij snoof zelfs de rook op.
“Hoe is het met Eileen?”, vroeg ze.
“Goed, ze werkt nog steeds. Dankzij haar inkomen kan ik in leven blijven.”
“Zij is een goeie vrouw, je hebt het echt met haar getroffen. Heb je haar verteld dat je vandaag…?”
“Nee, ik ben gewoon weggegaan. Doe ik wel vaker, ik heb in het verleden vele kilometers doelloos door het land gereden op zoek, ja naar wat eigenlijk? Ik weet het niet.”
“Jij bent niet veel veranderd. Nog altijd die grote krullenkop.”
Ze keek hem even aan met haar dromerige bruine ogen waarachter voor hem een mysterieuze wereld schuilging. Waarom wilde ze hem eigenlijk zien? Sinds hun eerste ontmoeting bij het station had zij er nog met geen woord over gerept. Hij wilde het haar dolgraag vragen, maar hij durfde het gewoon niet. Wellicht uit verlegenheid. Was hij dan nooit verder gekomen dan dat onzekere jongetje dat smoorverliefd op haar werd, terwijl ze hem amper zag staan? Ze was nog steeds even mooi als vroeger.
“Jullie hebben nooit kinderen gehad hè?”, merkte zij op.
Hij schudde zijn hoofd. “Eileen kon geen kinderen krijgen. We hebben nog wel een adoptie overwogen, maar uiteindelijk hebben we daar van afgezien. En ach, ik zou toch geen geschikte vader zijn.”
“Moet je niet zeggen, volgens mij zou jij juist een hele toffe vader zijn.”
Hij glimlachte en trok nog eens peinzend aan zijn pijp.
Gemma stond op en deed haar schoenen weer aan.
“Laten we verder gaan”, zei ze. “Ik krijg langzamerhand een houten kont van dat zitten.”
Hij keek langs haar benen omhoog naar haar billen toen ze opstond en werd overmand door een warm en gulzig gevoel. Maar hij liet niets merken en volgde haar braaf over het pad. Zij liep nog steeds voor hem uit, even uitgelaten als voorheen.
“Ik zou willen dansen”, riep zij. “Toe laten we dansen!”
“Zonder muziek?”, vroeg hij.
“Nee, op de muziek in je hoofd. Als ik mijn ogen dicht doe hoor ik altijd prachtige muziek met trage en vlugge ritmes. Heb jij dat niet?”
“Nee, als ik de ogen sluit zie ik kleuren. Als in een film glijden ze door mijn hoofd. Ze zijn zo mooi, zo volmaakt dat ze onmogelijk vast te leggen zijn. Ik ben wel eens jaloers op mijn hoofd, weet je dat. Dat hoofd kan veel meer dan ik.”
Ze grinnikte. “Dat heb ik ook met muziek. Wat ik hoor zou ik dolgraag willen spelen op de piano, maar het lukt me niet.”
“Speel je nog altijd piano?”’
“De laatste tijd niet meer, ik heb moeite met mijn concentratie.”
“Oh, hoe eh..”
“Laten we nu dansen”, interrumpeerde zij. Ze greep hem bij de hand en sleepte hem mee in een tomeloze dans, die in een mum van tijd uitgroeide tot een ingewikkeld patroon van grote en kleine, langzame en snelle bewegingen.Voor hem was het nog nauwelijks te volgen, hoe hij ook zijn best deed. Hij struikelde bijna over zijn eigen benen. Maar zij lette daar niet op, als in trance maakte zij nu wervelende pirouettes waarbij zij beurtelings met haar linker- en rechterbeen buiten de cirkel schopte. Ze had niet in de gaten dat hij allang weer stilstond en haar met een lichte verbazing en vertedering gadesloeg. Ze was weer dat meisje van vroeger waar hij zo vreselijk verliefd op was geweest. Haar lange bruine haren, nog geheel vrij van grijsaanvallen, wapperden vrolijk boven haar ranke schouders.
Zij leek een eeuwigheid te dansen, ofschoon het hooguit een paar minuten duurde voordat zij zich uitgeput in het gras langs de sloot liet vallen.
“Gaat het?”, vroeg hij.
“Ja hoor”, zei ze hijgend. “Even uitrusten. Ben jij niet moe?”
Hij schudde zijn hoofd en kwam naast haar zitten. Ze transpireerde hevig, het zweet parelde op haar voorhoofd.
“Je moet je niet zo inspannen, daar is het veel te warm voor.”
Ze antwoordde niet, ze knoopte haar bloesje open en ging achterover liggen. Ze keek hem aan en glimlachte.
“Ik ben blij dat je er bent. Je zult wel denken dat ik gek geworden ben. Maar ik vond het heerlijk om me even te laten gaan. Ik wilde vroeger altijd aan ballet, weet je dat nog? Ik ben nog op die dansschool geweest van hoe heette zij ook al weer, oh ja Sonja Sevjic. Ze kwam geloof ik uit Polen of zo. Volgens haar had ik wel talent.”
“Waarom ben je er niet in doorgegaan?”
“Omdat ik Harry tegen het lijf liep. We waren zo verliefd dat ik al heel snel zwanger raakte van Tanja. We besloten toen hals over kop te trouwen, ik was pas zeventien!”
Het stond hem nog helder voor de geest dat zij hem destijds uitvoerig vertelde over die Harry, een snelle zakenjongen die al op jonge leeftijd zwom in het geld. Hij droeg haar op handen en beloofde haar gouden bergen. Zij was zo vol van Harry dat hij niet anders kon dan zijn gevoelens voor haar te verzwijgen. “Jij vindt uiteindelijk ook wel een vrouw waarmee jij je leven kunt delen”, had ze nog gezegd.
Pas na haar eerste echtscheiding, het huwelijk hield slechts twee jaar stand, had hij haar voor het eerst durven zeggen dat hij al sinds zijn jeugd van haar hield. Zij deelde echter zijn gevoelens niet en werd al snel verliefd op een ander. Toen kwam hij Eileen tegen, een jonge onderwijzeres die in haar vrije tijd Nederlands studeerde. Eileen was dol op zijn kunst en voorspelde hem een grootse toekomst. Hoe deerlijk had zij zich vergist. Zijn vriend Pim wist er nog een positieve draai aan te geven. Hij stelde dat de falende kunstenaars collectief de voedingsbodem vormen voor de enkeling die zich weet te onderscheiden. Dus ook de mislukkeling droeg wezenlijk bij aan de vooruitgang in de kunst. “Zoals de dood nieuw leven mogelijk maakt”, had hij er nog aan toegevoegd.
“Wat ben je stil”, merkte Gemma op.
“Ik geniet van de rust”, zei hij. “Gaat het weer een beetje?”
“Ja hoor, het is heerlijk om even te liggen. Zou je ook moeten doen.”
Hij vlijde zich naast haar neer in het jonge gras en staarde naar de strakblauwe hemel, waarin een eenzaam straalvliegtuig op grote hoogte aan zijn lange witte condensstrepen trachtte te ontsnappen.
“Ik heb je brief bewaard”, zei Gemma opeens. “Ik weet het niet Peer, het was ontroerend wat je schreef en ik voelde me vereerd, echt waar. Maar jij hebt Eileen, ik wil niet dat je haar verdriet doet. Ik respecteer haar teveel en ik weet wat het betekent als een man je bedriegt. Dat mag je haar niet aan doen.”
“Wilde je over die brief praten?”
“Hoe bedoel je?”
“Nou, je wilde me toch spreken. Jij vroeg of ik je wilde komen ophalen.”
“Laten we weer gaan lopen,” stelde ze voor.
Ze stonden zwijgend op en Gemma snelde weer voor hem uit over het pad, waar de schaduw de hoge linden kopieerde op het bruingele zand. Ginds in de verte hobbelde een rode tractor met aanhanger hen zacht ronkend tegemoet. Hij hoopte vurig dat hij zou afslaan voordat hij hen bereikte, zodat zij alleen zouden blijven.
Opeens draaide Gemma zich om en liep op hem toe.
“Ik wil je naast je lopen”, zei ze en pakte spontaan zijn hand vast. Hij voelde hoe haar vingers voorzichtig hun weg zochten in de palm van zijn hand.
“Je hebt brede handen”, zei ze. “Ze zeggen dat kunstenaars altijd brede handen hebben.”
“Het is voor het eerst dat we hand in hand lopen”, zei hij. “Ik vind het fijn.”
“Ik ook”, fluisterde zij en schurkte zich vrijmoedig tegen hem aan. Hij sloeg zijn arm over haar schouders terwijl zij zijn hand vasthield en argeloos op haar borsten legde.
Zo liepen zij enige tijd zwijgend verder, samen kijkend naar de inmiddels dicht genaderde rode tractor die onverwacht een zijpad insloeg en al deinend langzaam opging in het uitgestrekte weidegebied.
Hij stelde zich in gedachten voor hoe het zou zijn als hij met Gemma was getrouwd. Hij zou dan om in hun levensonderhoud te voorzien gedwongen zijn geweest buiten het atelier zijn heil te zoeken. Misschien was hij wel tekenleraar geworden aan de school waar Eileen lesgaf. En dan….Nee daar wilde hij niet aan denken, hij wilde louter genieten..
Gemma bleef plotseling staan, liet zijn hand los en sloeg haar armen om zijn nek.
“Kus me Peer”, zei ze terwijl ze haar lippen op de zijne drukte. Haar tong drong langzaam zijn mond binnen, als een teer bibberend vogeltje dat door een nauwe opening een nestkastje betreedt. Zijn tong begroette enthousiast de hare en slingerde zich om de bezoekster heen. Zij kreunde van genot. Hij liet zijn hand door haar lange haren glijden en keek in haar dromerige bruine ogen. Hij had het gevoel dat hij eindelijk thuiskwam van een lange vermoeiende reis. Nu wist hij zeker dat zij zijn thuishaven was, waar hij veilig voor anker kon gaan. Hoe lang had hij niet naar dit moment verlangd.
“Ik hou van je Peer”, fluisterde zij. “Ik wil van je houden. Ik had je dat al veel eerder moeten zeggen. Maar ik durfde niet. Je was ook vaak moeilijk bereikbaar. Als ik je zag praatte jij honderduit, maar over de diepere dingen werd gezwegen. En toen kreeg ik jouw brief. Maar jij hebt Eileen en..”
“Het is al goed”, zei hij.
Zij schudde haar hoofd en begon hevig te snikken. Grote tranen biggelden over haar wangen. Hij drukte haar troostend tegen zich aan en veegde de haren uit haar gezicht.
“Huil maar, dat zal je goed doen.”
“Ik moet je iets vertellen”, zei ze snikkend. “Iets dat je niet leuk zal vinden. Ik kan het ook niet helpen. Laten we even gaan zitten.”
Zij zaten weer in het jonge gras, nu met hun ruggen tegen een boomstam. Voor hen in de sloot dreef een sneeuwwit zwanenpaar met in zijn kielzog drie hevig piepende recentelijk uit het ei gekropen grijs bevlekte nakomelingen voorbij. De ouders hielden al omkijkend voortdurend hun kroost in de gaten.
Hij veegde met zijn zakdoek, gelukkig had hij een ongebruikte in zijn zak, haar tranen af.
Zij glimlachte dankbaar en haalde haar neus op.
“Het is niet makkelijk”, verzuchtte zij. “Ik weet het ook nog niet zo lang.”
“Wat niet?”, vroeg hij een beetje geschrokken, want zij klonk zo verontrustend.
Zij haalde diep adem en vervolgde: “Ik was het laatste jaar altijd zo moe, weet je. Ik had net een scheiding achter de rug en dan…nou ja dat ging me niet in de koude kleren zitten. Ik had ook last van duizeligheid. En toen kwamen die hoofdpijnen, vreselijk. De dokter dacht eerst dat het migraine was en ik kreeg er medicijnen voor. Maar het hielp niet. Uiteindelijk heeft hij me doorgestuurd naar een specialist, een neuroloog. Twee maanden geleden hebben ze een scan gemaakt.”
Zij zweeg even en staarde met een diepe droevige blik in haar ogen de zwanen na, die even verderop aan de overkant de slootwal opklommen. Pa en moe wachtten geduldig tot ook de kleintjes veilig op het droge waren.
“Er is niets aan te doen Peer”, mompelde zij voor zich uit.
Hij schrok hevig en wist niets te zeggen, de woorden wilden eenvoudigweg niet komen. Als een zoutzak zat hij naast haar, volledig verdoofd.
Gemma legde voorzichtig haar hand op de zijne: “Maar ik heb geen hoofdpijn meer, wel problemen met mijn geheugen, soms kan ik zelfs de simpelste dingen niet meer onthouden. Ik ga dan bijvoorbeeld naar de keuken om koffie te zetten. Als ik dan in de keuken kom, weet ik niet meer wat ik moet doen. Nou ja dat soort dingen.”
“Hoe lang geven ze je nog?”, vroeg hij met een brok in zijn keel.
“Kunnen ze niets van zeggen, een paar maanden, een jaar. Ze weten het gewoon niet. Het is allemaal zo vreemd Peer, ik bedoel, ik voel me helemaal niet ziek. Nou ja, wel vaak moe en duizelig, maar voor de rest…”
Hij ging naarstig op zoek naar troostende woorden, maar meer dan reeds uitgemolken gemeenplaatsen vond hij niet. Misschien was zwijgen wel het beste, overdacht hij, haar naderende einde doodzwijgen uit protest. Ja tegen wie eigenlijk? In gevallen als deze had een gelovige het makkelijker, hij kon tenminste nog zijn Schepper de schuld geven.
“Laten we het over iets anders hebben”, zei ze opeens. “Deze dag is te mooi om treurig te zijn. Het is toch heerlijk hier in de zon. Ik wist niet dat er nog plekjes waren, waar het zo rustig was. Ik heb altijd al op het land willen wonen. Kunnen we hier niet ergens een huisje huren? Och, nee hoe zou Eileen het vinden als jij met mij in een huisje trok? Niet leuk, denk ik, Maar ik moet ook aan mijzelf denken, zij heeft veel meer tijd dan ik.”
Hij glimlachte en legde zijn arm over haar schouders. Zij vlijde haar hoofd tegen zijn borst en keek hem aan.
“Ik hoor je hart kloppen”, fluisterde ze. “Doek, doek, doek. Het is net een spinnend motortje. Ben je verdrietig? Je moet niet verdrietig zijn hoor. We zijn nu toch bij elkaar! Weet je dat ik vlinders in mijn buik heb, ik geloof dat ik verliefd op je ben geworden. Het is wel gek, ik ken je al zo lang en opeens komt die verliefdheid. Ik ben weer dat meisje van vijftien, zo voel ik me. En ik ben zo groen als, als dit gras. En jij bent zestien en je hebt mij meegenomen achterop je brommer. We stappen af en gaan in het gras zitten. Dan probeer jij mij te kussen. Kun je gerust doen hoor, wat ik heb is niet besmettelijk.”
Hij duwde haar zachtjes naar de grond en begon haar hartstochtelijk te zoenen. Zij sloeg haar benen om zijn heup en trok zijn onderlijf tegen haar schoot. Zo minden zij elkaar in het open veld, gadegeslagen door witte zwanen en ijverig foeragerende weidevogels.
De zon was reeds zijn hoogtepunt voorbij toen zij uitgeput maar diep voldaan naast elkaar in het gras lagen en samen naar de strakblauwe hemel keken.
“Als ik dood ben, moet jij hier weer gaan zitten”, zei ze opeens. “Dan kijk ik vanuit de hemel op je neer. Er zal toch wel een leven na de dood zijn? Ik bedoel, ik kan toch niet zomaar verdwijnen! Dat zou niet eerlijk zijn. Geloof jij in een hiernamaals?”
“Ik weet het niet”, verzuchtte hij. “Ik hoop dat er meer is dan dit leven alleen. Ik vind dat het zo moet zijn. Laten we afspreken dat jij blijft voortleven.”
“Mijn vader zei altijd: waar een wil is, is een weg”, zei ze.

Een half jaar na haar overlijden keerde hij terug naar deze plek. De geur van het voorjaarsgras bracht hem weer bij haar. Hij keek op naar de blauwe hemel en in gedachten hoorde hij haar zeggen: “Kom je me weer ophalen?”

© Gé Ansems

Gé Ansems

Over

Ik ben oud-journalist, schrijver en dichter.Ik heb vele jaren van de pen geleefd. Ik was immers schrijvend journalist. Maar schrijven voor een krant, ik schreef onder meer voor Dagblad Het Binnenhof en later voor de Haagsche Courant -was in het verre verleden ook nog eens tijdschriftredacteur - is toch iets anders dan je bewegen in het land der letteren. Niet dat ik dat land ooit heb verlaten, ook tijdens mijn journalistieke periode, sinds een paar jaar ben ik journalist in ruste, heb ik me bezondigd aan poëzie en proza. Zelfs toen ik nog toneelspeler was, ik heb de toneelschool gedaan, liet ik de pen niet met rust. Nu ik kan baden in een zee van vrije tijd, pen ik er dagelijks lustig op los. Al dat schrijven heeft me een bonte fruitschaal van pennenvruchten op geleverd. Ik geef toe, de ene vrucht is wat smakelijker dan de ander, maar toch.

Lees alle berichten van:

Laat een reactie achter

Onze Sponsoren-Partners

OPMERKING:

Alle Proza en Poezië op deze site is auteursrechtelijk beschermd, en mag alleen met schriftelijke toestemming van de auteur elders gepubliceerd worden.

LIKE ONS OP FACEBOOK:

Laatst toegevoegde uitgave

  • De Rattenbende

    De Rattenbende

    Dit spannende verhaal speelt zich af in een klein dorp. We maken­ kennis met “SPEKMANS VLEESWARENFA­BRIEK’ en het “­PROEFDIERENLABORATORIUM’, waarvan Professor Rommelhaar­ de baas is. …Bekijk alle details
  • Liefde en ongemak

    Liefde en ongemak

    De titel Liefde en ongemak kenmerkt de denk- en werkwijze van Alleblas. Hij is constant op zoek naar tegenstellingen en dissonanten. Pure liefde en twijfels …Bekijk alle details

Bestsellers:

Evenementen

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van de laatste nieuwtjes , meld u hier aan dan ontvangt u
1 x per maand onze nieuwsbrief.
* = verplicht veld

Optreden Streekdichter

  • Geen evenementen