Gecategoriseerd | Paul Waterman

Territoriaal geneuzel

Geplaatst op 09 februari 2010 door Paul Vis

bandjes in de sixtys


4.   Streekroman.  Fragment uit “Tomatenblues.”  Het wil maar niet boteren tussen de twee streekbandjes

‘Hoe laat zou het zijn?’ Ik keek op mijn polsklokje. ‘Bij vijven.’  McTrash, de band waarin ik de zanger was, had de matinee in het clubhuis verzorgd. Nadat we na afloop, samen met de andere bandleden, het instrumentarium in de Volkswagenbus hadden geladen, liep ik, een zwaar sjekkie rollend, terug naar de zaal. Misschien waren er nog wat maten die trek hadden in een biertje. Wat slap ouwehoeren kon geen kwaad.

‘McTrash! Paardenlul!!’ Een schorre koolaskeel kraakte door het geroezemoes van stemmen, ik was nog geen seconde binnen. ‘McTrash!! Lelijk mormel dat je d’r bent.’ klonk het weer.

Dit kon niet missen. Wilde ik dit wel? Ik keek om me heen en vond de omhooggestoken hand van Jack Molenkamp, alias Ravi. Wat afzijdig van de rest van de bezoekers stond hij achter in de zaal.  De eerste indruk die je van hem kreeg was nonchalance, vertaald in woeste haren tot op de schouders en een grote bek als je hem aansprak. Het moest iedereen direct duidelijk zijn: Ravi had geen last van mensenvrees.  Ondanks dat ik niet veel zin had, besloot ik toch om naar hem toe te gaan.  Hij was hier niet voor niks, hij had natuurlijk wat te vertellen.

‘Hé Ravi!  Ouwe tuinkabouter. Hoe is het jongen? Heb j’m d’r  nog in gehad of ben je er zelf maar ingelopen?’

Ravi grinnikte. Hij was niet groot van stuk en de grappen die hij moest ondergaan gingen daar ook altijd over. Sinds jaar en dag slikte hij die lol, en de snelheid waarmee het juiste antwoord kwam, wees daar ook op. Met zijn rug tegen de bar geleund en uiterst relaxed een biertje in zijn hand houdend, antwoordde hij: ‘of ik het naar mijn zin heb gehad? Vroeg jij dat nou, vuile piskreuk? Je ziet toch dat ik het naar mijn zin heb!’

Ik wist het. Ik deed er zelf aan mee. Dit antwoord hoorde nu eenmaal bij het begroetingsritueel. Dit, en het pakkie shag dat tegelijkertijd tevoorschijn kwam; daaruit moest blijken dat de zaak onder controle was. Zoiets als honden die aan de poepertjes van andere honden snuffelen.

Zoals verwacht dus, pakte Ravi zijn shagbaal uit zijn kontzak en vulde het vloeitje. Vervolgens hield hij de zak met zijn linkerhand uitnodigend onder mijn neus en draaide – waarschijnlijk had hij hier maanden op geoefend – single met zijn rechterhand zijn shagje. ‘Was het nog wat vanmiddag?’ vroeg hij, secuur het vloeitje dichtlikkend.

Ook deze vraag hoorde nog bij het ritueel en verdiende daarom een bepaald type antwoord. Voor mij was het genoeg, ik wenste er niet meer mee door te gaan. In plaats daarvan keek ik hem aan en antwoordde:  Hoe kan je dat nou vragen, je bent toch niet blind hoop ik?’ Mijn wijsvinger maakte een rondje door de zaal. ‘Betekent dit misschien dat het bij jullie niks was vanmiddag?’ Het eerste plaagstootje was gezet.

‘Ach, z’n gangetje. Je weet wel.’ Ravi antwoordde wel, maar de bravoure brak een beetje. Zijn gezicht veranderde van nonchalance, in ernstig geplooid en er volgde een stilte. Toen veerde hij weer op en vervolgde: ‘Weet je wie ik bij ons zag vanmiddag?’ Terwijl hij me onderzoekend aankeek, meende ik een stokende ondertoon te horen.

‘Hoe zou ik dat moeten weten?’ antwoordde ik zo stoïcijns mogelijk.

‘Nou, ik denk dat het je wel interesseert!’  De pink van de hand waar hij het glas mee vasthield kwam afwachtend omhoog en hij leek even zijn adem in te houden.

Daar kwam iets, zeker weten. Zo langzaam als mogelijk nam ik een slok. ‘Als dat zo is, zeg het dan maar’, zei ik.

‘Mia, man. Mia van der Laan!’ De triomf bij deze boodschap spoot zo ongeveer van zijn gezicht.

Een aantal seconden draaide mijn gedachte op volle toeren en ik wist zeker dat ik de schok die was veroorzaakt, niet binnenskamers had kunnen houden. ‘Mia….??’

Hij knikte heftig ‘En weet je met wie ze was?

‘Al sla je me dood’ zei ik, de andere kant opkijkend. 

Met die vetnek joh. Die achterlijke Frans de Zeeuw.’ Ravi had duivels plezier, dat liet aan duidelijkheid niet te wensen over. ‘Je kent Frans toch wel? Hij zegt nooit wat, hij weet nooit wat, maar laat hem maar schuiven! De asplaag.’

‘Frans de Zeeuw?’ Ik kon niet meer zeggen dan dat en slikte de rest van het bier in één keer weg.

 Sinds ze me te kennen had gegeven geen contact meer te willen hebben, had ik haar gevolgd. Nog geen seconde was zij uit mijn gedachten geweest en eigenlijk alles wat ik vanaf die tijd deed, was aan Mia gelieerd. Ik had de routes gereden die zij nam om naar haar werk te gaan, liep de feestjes af waar zij misschien ook zou kunnen zijn en keek bij het opbouwen van het instrumentarium voortdurend in de zaal of zij misschien dit keer wel onder de aanwezigen was. Mia leek zich voor mij te verschuilen. De meeste kans op een vluchtig contact was er op feestjes bij wederzijdse vrienden, die ik dan ook allemaal afliep, maar ook daar liet ze zich sinds we uit elkaar waren, niet meer zien. Radeloosheid was misschien nog het beste woord. Alleen de naam Mia, kon me al elektrocuteren. Tussen de tomaten, bij repetities met de band of bij het potje bier ’s avonds in de kroeg, altijd was zij de prominent aanwezige. Zelfs de vechtpartijen hadden bijna altijd een oorzakelijk verband: dat gevoel dat Mia ergens in de wereld, en misschien wel met een ander was. Frans de Zeeuw was dan misschien een paardenlul, maar wel een paardenlul die het voor elkaar had. Had Ravi hen werkelijk samen gezien of was hij uit op heibel?

‘Ík snap niet wat ze in dat varken ziet!  Jij wel? Begrijp jij waarom hij wel en jij niet?’ Ook bij deze vraag leek Ravi meer dan geïnteresseerd in mijn reactie. 

Ik probeerde zo weinig mogelijk emotie te laten zien, maar kon aan de andere kant toch niet al mijn stuursheid verbergen. Goed gemeend kon deze mededeling nooit zijn: we konden elkaars bloed wel drinken. En toch kwam Ravi hier zijn ‘goede vriend’ even inlichten. Wat een teringlijer was dat toch! Hij wist dondersgoed dat ie me te pakken had. Dat hij met deze mededeling mijn hele zondag had verziekt. Het was hem te doen om onrust te zaaien. Hij had voor dit nieuwtje de moeite genomen om een blokje om te rijden om te zien waar hij mij het beste kon raken. Toch was ik vastbesloten dit niet te laten merken. Alles wat hij aan mij zag – wat ik dus tevergeefs had getracht te verbergen – was al erg genoeg. Ravi kon de kolere krijgen, met z’n hele familie erbij.

‘Was er nog ander publiek of was zij de enige in de zaal?’, vroeg ik daarom doodgemoedereerd.

Ravi nam een lauw slokje en veranderde plotseling in Jack Molenkamp, van de rocker van een wereldband, naar de jongen uit de straat. Ietwat uit het veld geslagen keek hij om zich heen en probeerde nu op zijn beurt, licht wiebelend van het ene op het andere been zijn aloude houding te herkrijgen. Omzichtig draaide hij met één hand opnieuw een shaggie en keek om zich heen. Toen, met een wenkgebaar naar de barman om aan te geven dat er een tweede biertje nodig was, boog hij zich naar mij. ‘We hebben vanmiddag zoveel storing gehad joh. Gewoon niet normaal meer’, begon hij op bezorgde toon. ‘Elke keer midden in een nummer. Of de duivel er mee speelt.

‘Wat gebeurde er dan?,’ vroeg ik hem, verborgen geamuseerd.

‘De zekeringen man. Ze sloegen gewoon als damstenen om onze oren. Om gek van te worden.’ Bij deze bekentenis trok Ravi een gevaarlijke vuurkogel aan zijn sjekkie en inhaleerde veel te diep.

‘De zekeringen?’

‘De zekeringen ja. We kunnen onderhand wel een veilingkist van die dingen meenemen en dan is het nog niet genoeg.’ Een diepe zucht ontsnapte. ‘Zo kunnen we niet meer doorgaan. Er zit ergens kortsluiting. En we kunnen er maar niet achterkomen waar.’

Ik keek hem strak aan en nam een zuinig slokje. ‘Kortsluiting? Waar dan?’

‘Ja, als we dat wisten, was het niet zo moeilijk,’ antwoordde Ravi.

‘Weten jullie je eigen kortsluiting niet te vinden?’, ging ik plagerig verder.

‘Nee, natuurlijk niet. Was het maar zo’n feest!’  Zo te zien was hij de wanhoop nabij.

Ik wist natuurlijk alles van deze wekelijks terugkerende echecs. Al een aantal weken terug infiltreerden de fans van McTrash zich in het publiek van Ravi’s band. Op een zeker moment was het idee geboren om een speciaal stekkertje te maken waarvan de polen met elkaar zouden worden verbonden. Dit stekkertje moest dan voor kortsluiting zorgen. Zo gezegd, zo gedaan. Steeds als Ravi met zijn Sea Side Rockers weer wat gang hadden, ging ergens in de zaal het stekkertje in een stopcontact en….. pats.

‘Nog een biertje, Jack?’

‘Ja doe maar. Dat kan nog wel.’

‘Moet je vanavond nog ergens optreden?’

‘Ja. Vanavond staan we in Hotel Amerika.’

‘En je denkt dat het vanavond wel goed komt?’

‘Ik hoop het, maar ik heb er een zwaar hoofd in.’

‘Laat die gasten het nu eens goed doormeten joh. Zo’n mankement moet gewoon te vinden zijn.’ Ik speelde de emotie van de meevoelende hobbyist zo goed mogelijk.

‘Dat hebben we al zo vaak gedaan, ’ verzuchtte Ravi.

Weet je wat ik denk?’ Ik keek wijds de zaal in en speelde goed te hebben nagedacht. ‘Je moet gewoon eens flink je bek opentrekken, wedden dat het helpt? Die gasten denken er veel te gemakkelijk over. Je moet optreden, laten zien wie de baas is. Eerst de boel in orde, dan pas bier. Dat helpt!’

‘Ga toch weg joh.’ Zijn wegwerpgebaar liet zijn wanhoop zien. Het gaf de spanning die er onder de bandleden was, goed weer toen hij zei: ‘We hebben nu al hommeles. Het laatste waar we om verlegen zitten is knallende ruzie.’

‘Nou, dan zou ik gewoon zo doorgaan!’ Ik wuifde flegmatiek. ‘Mijn moeder zei ook altijd: ‘Is het vanzelf gekomen? Dan zal het vanzelf wel weer overgaan!’

‘Wie doet bij jullie de techniek?’  Ik werd nu onderzoekend aangekeken. Mijn laatste antwoord had niet, of juist wel indruk op hem gemaakt. Dacht Ravi nou werkelijk dat ik een poot zou uitsteken om hem te helpen?

‘Waarom vraag je dat?’, kaatste ik.

‘Nou, kan die niet eens bij ons komen kijken?’

‘Nee, dat geloof ik niet’, antwoordde ik laconiek. ‘We zijn al blij dat Bertus tijd voor óns heeft. Maar je kunt het hem natuurlijk vragen. Bertus is geen bezit van ons.’ Ik wees naar de wat slungelachtige figuur een eindje verderop.

Ravi keek mijn wijsvinger na, stak als teken van dank zijn duim op en begaf zich op weg naar de technicus.

Even liet ik de afstand groter worden. Toen wenkte ik een van de mannen in het complot. ‘Hai, Gerrit, hoe is tie? Biertje?’  Ik knikte met m’n hoofd richting Ravi. ‘Ze spelen vanavond in Hotel Amerika.’

Auteur:  Paul Waterman



Paul Vis

Over

Westlander Paul Vis (Kwintsheul, 1948) is het tiende kind uit een streng katholiek gezin van veertien kinderen. Na een succesvolle carriere als ondernemer in de bouw, besluit Paul in 2006 op 58-jarige leeftijd zijn aandelen te verkopen en zich te wijden aan een onderhuids altijd al aanwezige passie: schrijven. Met vier uitgegeven boeken binnen vier jaar tijd en een vijfde in de maak is Paul Vis de meest actieve Westlandse schrijver van dit moment. Het genre van 'roman gesitueerd in het Westland' beheerst hij inmiddels tot in de puntjes en menig Westlander is bekend met zijn schrijfwerk.

Lees alle berichten van:

Laat een reactie achter

Onze Sponsoren-Partners

OPMERKING:

Alle Proza en Poezië op deze site is auteursrechtelijk beschermd, en mag alleen met schriftelijke toestemming van de auteur elders gepubliceerd worden.

LIKE ONS OP FACEBOOK:

Laatst toegevoegde uitgave

  • De Rattenbende

    De Rattenbende

    Dit spannende verhaal speelt zich af in een klein dorp. We maken­ kennis met “SPEKMANS VLEESWARENFA­BRIEK’ en het “­PROEFDIERENLABORATORIUM’, waarvan Professor Rommelhaar­ de baas is. …Bekijk alle details
  • Liefde en ongemak

    Liefde en ongemak

    De titel Liefde en ongemak kenmerkt de denk- en werkwijze van Alleblas. Hij is constant op zoek naar tegenstellingen en dissonanten. Pure liefde en twijfels …Bekijk alle details

Bestsellers:

Evenementen

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van de laatste nieuwtjes , meld u hier aan dan ontvangt u
1 x per maand onze nieuwsbrief.
* = verplicht veld

Optreden Streekdichter

  • Geen evenementen