Gecategoriseerd | Ria Brekelmans van der Burg

Engelengeduld

Geplaatst op 28 oktober 2015 door Ria Brekelmans van der Burg

Tijdens de avond van Halloween 2013 schreef ik een gedicht over een engel met zwarte vleugels. Dit is inmiddels uitgegroeid tot een mysterieus verhaal in vijf delen. Hieronder een passage uit deel vijf, omdat het bijna Halloween is.

Westland, Halloween 2013.

Het was donker en een enorme hoeveelheid regenwater viel loodrecht naar beneden. Er lag een man languit op zijn buik in het weiland. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen en braakte aarde en gras op. Het gras rook naar beschimmelde aarde. Met zijn wijsvinger veegde hij een paar grassprietjes tussen zijn lippen vandaan. Een dikke vette worm kronkelde langs zijn wang en viel op de grond. De man tilde zijn hoofd op en keek verward om zich heen. Een lantaarnpaal in de buurt verspreidde een zacht lichtschijnsel op de plek waar hij lag. Een been bungelde tot aan zijn knie in een sloot. Het water verspreidde een penetrante stank.
Het voelde alsof hij in elkaar was geslagen want hij had overal spierpijn. Zijn broek en tuniek hingen in flarden rondom zijn lichaam.

“Agron, Virgilius,” mompelde de man. Hij verplaatste zijn gewicht naar zijn handen en probeerde overeind te komen. De pijn in zijn hoofd veranderde van een traag kloppen naar een niet meer bij te houden tempo. Hij zag overal sterretjes in zijn gezichtsveld uit elkaar spatten. Een kreun ontsnapte uit zijn mond. Zijn oog viel op zijn vuile met modder aangekoekte handen. Zijn armen en benen waren bedekt met bloederige schaafwonden. De nagels aan zijn vingers waren veel te lang en sommigen tot in het vlees ingescheurd. Lange vettige slierten haar reikten tot tussen zijn schouderbladen. Hij wreef over zijn kin en raakte met zijn vingers verstrikt in een baard. Onder zijn neus voelde hij een snor.  Hij had dorst en vroeg zich af hoelang hij dit keer onderweg was geweest.

Traag gleden de gebeurtenissen in zijn nog altijd door pijn geplaagde hoofd voorbij. Hij herinnerde zich vaag dat hij vanuit het voorportaal van de hemel vertrokken was in de cocon met de engelen Agron en Virgilius richting Syrië. Op de een of andere onverklaarbare wijze waren ze hem kwijtgeraakt en was hij dus hier in een vreemd land wakker geworden. Hij stond moeizaam op en keek om zich heen. Het duister drukte als een zware last op zijn schouders.
Zijn coördinatie liet hem volkomen in de steek. In wat voor hachelijke situatie zou hij zich nu weer bevinden  ? Hij slaakte een diepe zucht. Het landschap was voor zover hij dat kon zien vlak. Hij zag silhouets van een aantal bomen in de verte.

De landelijke geur die boven het weiland hing kringelde zijn neusvleugels binnen. In de verte zag hij nog meer lantaarnpalen en hij hoorde auto’s voorbij suizen. Hij sloeg zijn ogen op naar de donkere hemel en smeekte om hulp. “Meester ik weet dat U daar bent, kom me halen, help me alsjeblieft.” Er kwam geen enkele reactie van boven. Het enige dat hij zag was een donkere massa voorbijglijdende wolken. Hij hoorde het kletteren van de regen in de sloot naast zich. De gerafelde kleding plakte tegen zijn lichaam. Water gutste langs zijn hoofd. Druppels in zijn baard en snor veroorzaakten een hinderlijke jeuk. Hij kon hier niet blijven dus besloot hij op zoek te gaan naar een schuilplaats.
De grond onder zijn blote voeten voelde vochtig en plakkerig aan. Hij zakte bij iedere stap steeds weg in de zompige kleigrond.

Met een hand hield hij de band van zijn broek vast. Doordat de achterzijde van de broek grotendeels was gescheurd, voelde hij de wind langs zijn billen strijken. De voorkant althans wat er nog van over was bedekte nauwelijks zijn geslacht. Hij ging wijdbeens staan om te plassen. Het was koud, nat en winderig hier in dit land. “Allemachtig, waar ben ik toch,” mompelde de man. Een paar meter verderop zag hij een houten hek. Hij klom er overheen en belandde op een smalle verharde weg. Zijn voeten deden pijn.
Een eindje verderop splitste de weg zich naar rechts en verdween al slingerend tussen een lange rij glazen kassen. Naast het hek stond weer een lantaarnpaal. In het zachte lichtschijnsel zag hij een mist van fijne regendruppeltjes dansen. Hij huiverde en stond voor een dilemma.

Ging hij links of rechtsaf. Aan de overkant van de weg liep een smalle sloot met een strook gras er voor. Er doken een paar schapen op en een geit stond doodstil met de kop boven de sloot. In het duister zag hij de contouren van twee ponypaardjes. Hij snoof de geur diep in van dierlijke uitwerpselen. Achter de strook gras zag hij oranje lichtschijnsel afkomstig van glazen warenhuizen. Vlak er naast zag hij een loods met een verlicht reklamebord, met daarop afbeeldingen van rode paprika’s. Grenzend aan de loods dook een imposant vrijstaand huis op. Er brandde licht beneden in de huiskamer en ergens boven onder donker gekleurde dakpannen was een dakraam flauw verlicht.

Op het gras en in de voederbak van de dieren zag hij tientallen paprika’s liggen. Hij kon zich niet meer herinneren wanneer hij iets gegeten had. Dus nam hij twee paprika’s uit de bak. Hij schrokte ze binnen enkele seconden naar binnen. De pitjes spuugde hij uit. De smaak was verrassend zoet met een lichte bite. De pijn in zijn hoofd begon te zakken. Na paprika nummer drie was zijn honger voorlopig even gestild. Hij zag naast de voederbak een blauwgewolkte emaille teil staan met daarin een flinke hoeveelheid water. Hij bukte zich en slurpte er wat van op, maar proestte het meteen weer uit.
Het water had de smaak van roestig metaal.

Hij hoorde stemmen en harde muziek vanuit het duister naderen. Hij zag een paar jongens op de fiets, gehuld in zwarte lange gewaden met een capuchon over hun hoofd getrokken. Over hun gezicht droegen ze een wit doodskopmasker. De mond werd daarbij naar beneden getrokken in een lange witte streep. De man bukte zich en hoorde de jongens opgewonden met elkaar communiceren. Hij kon deze taal absoluut niet verstaan. Vliegensvlug flitste er een seintje naar zijn hersenen en binnen enkele seconden wist hij dat de jongens Hollands spraken. Hij herinnerde zich vaag nog de taallessen bij de nonnen tijdens zijn verblijf bij Angelina beginjaren zestig.
Toen kreeg hij die wijsheid deels ook mee. Zou Jezus hem nu op dit moment ook helpen ?

De jongens stapten druipnat van hun fiets af en bleven staan. Een van de jongens had een klein plat voorwerp in zijn handen. De man focuste zich op het apparaat en een seintje naar zijn hersenen liet hem zien dat dit een hypermoderne smartphone was met allerlei verschillende functies. In de jaren zestig bestonden die handige apparaten toen nog niet. Hij herinnerde zich de zwarte bakelieten telefoon van Angelina nog wel. Maar uit dit kleine platte apparaat wat de jongen in zijn handen had, kwam muziek van een verbluffende kwaliteit. De jongens zongen luidkeels mee met een of andere harde opzwepende rocksong.

De man hoorde flarden tekst zijn oren binnendreunen: “This is the beast under your bed.”  De jongens trokken een blikje bier open en gooiden hun fiets in de berm. De song werd op repeat gezet en toen hoorde de man dat het “Metallica’s Enter Sandman”  was. Hij had daar nog nooit van gehoord. Razendsnel gaf hij zijn hersenen weer opdracht naar alle muziek van de laatste deccenia. Na een minuut wist hij alles over popmuziek en hardrock. Als hij hier wilde blijven moest hij nog een hoop leren. De ontwikkelingen hadden niet stil gestaan op aarde, integendeel. Er was sinds de jaren zestig veel veranderd.

Hij was zonder dat hij er erg in had in de buurt van de jongens gaan staan. Hij had ook niet in de gaten dat de jongens hem apatisch aanstaarden met het inmiddels weggetrokken doodskopmasker.
Richard, een van de jongens, frommelde het masker tussen zijn handen en stamelde: “Ben jij wel okay gast, hey zeg eens wat. Ga jij naar een Halloweenparty of zo ? Wat cool zeg.  Je loopt er halfnaakt bij. Als de meiden je zo zien willen ze maar een ding.”  De andere jongens gaven met een daverende lachsalvo het bevrijdende antwoord.

Ria Brekelmans van der Burg

Wordt vervolgd.

 

 

Ria Brekelmans van der Burg

Over

Ik ben midden tussen de kassen geboren op een stukje historische grond aan de lange Noordweg, in de nabijheid van de Sammersweg. Op de Mariaschool vond ik schrijven, lezen en Nederlandse taal heerlijke vakken.  Na de dood van mijn moeder ben ik pas echt serieus gaan schrijven. Een boek over mijn  familie verweven met de geschiedenis van Wateringen leek mij fantastisch. In 2013 kwam die droom uit en verscheen mijn eerste historische streekroman: Groene tranen.

Mijn hobby’s zijn verder: fotograferen, creatief haken en Sixtiesmuziek. In het dagelijks leven doe ik vrijwilligerswerk voor de Sint Jan de Doperkerk, want ik wil dat dit monumentale pand voor de toekomst behouden blijft. Op dit moment ben ik bezig aan een gedichtenbundel en een mysterieus verhaal. Schrijven is vooral een ontspannen bezigheid.  Ik woon met mijn man in Wateringen en we hebben twee volwassen kinderen.

Lees alle berichten van:

3 Reacties voor dit bericht

  1. Mirjam

    Wow. Respect. Ik ben erg benieuwd hoe dat afloopt. En meer nog, wat ging eraan vooraf?

  2. Ria Brekelmans van der Burg

    Ik kan het verhaal in een quote samenvatten.
    Een aantal mensen uit verschillende tijdzones krijgen te maken met een man, die een engel blijkt te zijn.

  3. Nico van de Wetering

    Indrukwekkend Ria.. heb het met plezier gelezen. Ben benieuwd naar meer.

Laat een reactie achter

Onze Sponsoren-Partners

Waarschuwing:

Alle Proza en Poezië op deze site is auteursrechtelijk beschermd, en mag alleen met schriftelijke toestemming van de auteur elders gepubliceerd worden.

LIKE ONS OP FACEBOOK:

Bestsellers:

Evenementen

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van de laatste nieuwtjes , meld u hier aan dan ontvangt u
1 x per maand onze nieuwsbrief.
* = verplicht veld

Optreden Streekdichter

  • Geen evenementen